Regeling Modelvliegen |
|
|
|
|
Regeling van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 2 december 2005, nr. HDJZ/LUV/2005-2297, Hoofddirectie Juridische Zaken, houdende nadere regels voor vluchten met een modelvliegtuig (Regeling modelvliegen)
Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder een modelvliegtuig: een luchtvaartuig van geringe afmeting, waarvan de totale startmassa niet meer dan 25 kilogram bedraagt. Artikel 2 Voor een vlucht met een modelvliegtuig gelden in afwijking van hoofdstuk III van het Luchtverkeersreglement de volgende regels: a. de vlucht wordt uitgevoerd in overeenstemming met de algemene vliegvoorschriften voor zover daarvan niet wordt afgeweken in de onderdelen b tot en met q; Artikel 3 Modelvliegtuigen worden aangewezen als onbemande luchtvaartuigen, bedoeld in artikel 5.7, derde lid, van de Wet luchtvaart. Artikel 4 In artikel 24, derde lid, onderdeel a, van de Regeling luchtvaartvertoningen wordt ‘Regeling modelvliegtuigen’ vervangen door: Regeling modelvliegen. Artikel 5 De Regeling modelvliegtuigen wordt ingetrokken. Artikel 6 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant, waarin zij wordt geplaatst. Artikel 7 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling modelvliegen. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, M.H. Schultz van Haegen. Toelichting Algemeen In de wet van 29 april 1999, houdende wijziging van de Wet Luchtverkeer (luchtvaartuigen en vluchtuitvoering; Stb, 1999, 235), sinds 1 juli 1999 de Wet luchtvaart geheten, is een nieuwe definitie van luchtvaartuig gegeven. Het voordien onder de Luchtvaartwet geldende systeem dat bij algemene maatregel van bestuur toestellen wel of niet onder het begrip luchtvaartuig gebracht werden, kwam daarmee te vervallen. Daarmee is artikel 59 van het Luchtverkeersreglement in feite inhoudloos geworden. Die bepaling regelt het gebruik van het luchtruim door nietluchtvaartuigen en is de grondslag voor een ministeriële regeling. Op grond van deze bepaling is de oorspronkelijke ministeriële regeling voor modelvliegtuigen vastgesteld. In de praktijk is nodig gebleken, mede door de toename van het luchtverkeer, voor modelvliegtuigen enige gebruiksregels te stellen. Uit: Staatscourant 8 december 2005, nr. 239 / pag. 13 krachtens hoofdstuk III van het Luchtverkeersreglement gestelde regels. Gelet op de aard van het modelvliegtuig is het evident dat niet kan worden voldaan aan tal van verplichtingen van dat hoofdstuk. De regeling is in nauw overleg met de Koninklijke Nederlandse Vereniging voor Luchtvaart (KNVvL) tot stand gekomen. In het kader van deregulering en zelfregulering zijn inhoudelijke normen met betrekking tot de constructie en besturing uit de Regeling modelvliegtuigen niet overgenomen. Het is aan de sector om de inhoudelijke normen zelf Voor modelvliegtuigen waarvan de totale massa ten hoogste 25 kg bedraagt zijn al delen van de luchtvaartwet- en regelgeving niet van toepassing verklaard: a. artikel 2.1, eerste en tweede lid, van de Wet luchtvaart met het verbod om een luchtvaartuig te bedienen zonder het daarvoor geldige bewijs van bevoegdheid of gelijkstelling, zodat voor het besturen van een modelvliegtuig geen door de Minister van Verkeer en Waterstaat afgegeven vliegbewijs nodig is (Artikel 11 van het Besluit bewijzen van bevoegdheid voor de luchtvaart); Een basisregel is het verbod in artikel 5.3 van de Wet luchtvaart om op zodanige wijze aan het luchtverkeer deel te nemen dat daardoor personen of zaken in gevaar worden of kunnen worden gebracht. Artikel 5.4 van de Wet luchtvaart verbiedt het om boven gebieden met aaneengesloten bebouwing of kunstwerken, industrie- en havengebieden daaronder begrepen, dan wel boven mensenmenigten, aan het luchtverkeer deel te nemen op een zodanige hoogte dat het niet meer mogelijk is een noodlanding uit te voeren zonder personen of zaken op het aardoppervlak in gevaar te brengen. Volgens artikel 5.7 van de Wet luchtvaart is de gezagvoerder ervoor verantwoordelijk dat de uitvoering van de vlucht geschiedt in overeenstemming met de bij of krachtens deze wet gestelde regels. Degene die een modelvliegtuig bestuurt of oplaat geldt als gezagvoerder.
De onderhavige regeling betreft alleen het gebruik van het luchtruim. Andere onderwerpen ook die welke in verordeningen van lagere overheden kunnen zijn geregeld, bijvoorbeeld in het kader van milieu, openbare orde en veiligheid, vallen buiten de reikwijdte van deze regeling Artikelsgewijs Artikel 2 Bij modelvliegen blijft de bestuurder/gezagvoerder op de grond. De veiligheid van het modelvliegen vereist derhalve in de eerste plaats goed zicht vanaf de grond op het modelvliegtuig en het luchtruim daaromheen. Luchtruim met de klasse G is vanaf de grond gezien al het luchtruim direct boven de grond buiten de plaatselijke luchtverkeersleidingsgebieden. Die laatste gebieden hebben de klasse C, hetgeen inhoudt, dat daarin aan alle vluchten luchtverkeersleiding wordt verstrekt, en liggen rond zowel burger- als militaire luchtvaartterreinen waar plaatselijke luchtverkeersleiding wordt gegeven. Om met een modelvliegtuig binnen een plaatselijk luchtverkeersgebied te mogen vliegen dient een convenant te worden gesloten, de luchtverkeersleider ter plaatse kan en mag geen toestemming verlenen. In het convenant kunnen dan in lijn met de regeling op de plaatselijke omstandigheden afgestemde gebruiksbepalingen worden opgenomen, zoals bijvoorbeeld de maximale vlieghoogte, het type modelvliegtuig of de afmetingen van het vlieggebied. Het Ministerie van Defensie heeft al een zogenaamde raamvergunning voor burgermedegebruik van militaire luchtvaartterreinen afgegeven aan de KNVvL. Deze is van toepassing op specifieke militaire luchtvaartterreinen. Voor het modelvliegen buiten zo'n terrein, maar binnen het plaatselijk luchtverkeersleidingsgebied kan men zich wenden tot het Ministerie van Defensie, Voor het noodzakelijke convenant binnen de burgerluchtverkeersleidingsgebieden kan men zich wenden tot het bestuur van LVNL, Postbus 75200 1117 ZT Luchthaven Schiphol Modelvliegen vanaf een luchtvaartterrein of een terrein met een ontheffing ex artikel 14 Luchtvaartwet is in principe ook mogelijk (omdat dit de meest extreme vorm ‘binnen een afstand van 3 km’ is). Het certificaat van het luchtvaartterrein en de planologische mogelijkheden zijn dan automatische randvoorwaarden. Laag vliegende luchtvaartuigen zijn met name te verwachten inde plaatselijke luchtverkeersleidingsgebieden (met luchtruim klasse C), oefengebieden, laagvlieggebieden en -routes en bij luchtvaartterreinen. Deze locaties zijn te vinden in de luchtvaartgids (aeronautical information publication). Deze gids is o.a. te raadplegen via internet op www.ais-netherlands.nl Omdat de minimum vlieghoogte voor luchtvaartuigen onder zichtvliegvoorschriften (VFR) buiten aaneengesloten bebouwing 500 voet (150 m) bedraagt, bestaat de mogelijkheid van een conflict tussen een modelvliegtuig en een (waarschijnlijk klein) luchtvaartuig. Het is primair de bestuurder van het modelvliegtuig die een dergelijk conflict kan Artikel 3 Artikel 5.7, eerste lid, van de Wet luchtvaart bepaalt dat de gezagvoerder zich aan boord van het luchtvaartuig bevindt. Ingevolge het derde lid van deze bepaling kan de Minister van Verkeer en Waterstaat bij ministeriële regeling onbemande luchtvaartuigen aanwijzen waarop het eerste lid niet van toepassing is. In onderhavig artikel is het modelvliegtuig aangewezen als onbemand luchtvaartuig. De Staatssecretaris van Verkeer en M.H. Schultz van Haegen. |